Vragen aan Atlas?

Bij Atlas krijgen we veel vragen binnen van ouders of verzorgers, van kinderen, van professionals uit het onderwijs en andere geïnteresseerden. Op deze pagina bundelen we vragen van allerlei aard. Mocht uw vraag hier niet bijstaan, dan kunt u via het contactformulier een vraag stellen.

 

Vragen algemeen

Welke leerlingen kunnen worden aangemeld bij ABC Atlas?

Leerlingen die in groep 8 een school voor voortgezet onderwijs gaan kiezen en leerlingen die al naar het voortgezet onderwijs gaan.

Welke onderzoeken kan ik bij ABC Atlas aanvragen?

Wij doen onderzoek op alle relevante gebieden en naar alle vragen die er zijn in de genoemde leeftijdsgroep.

Bijvoorbeeld onderzoek naar:

  • de best passende schoolsoort
  • de best passende soort en niveau opleiding
  • gedragsproblemen
  • emotionele problemen
  • dyslexie
  • hoogbegaafdheid, etc.

Wie betaalt het onderzoek?

De aanvrager betaalt het onderzoek tenzij schriftelijk wordt aangetoond dat een ander (een instantie, een school) toezegt de kosten te betalen.

Wie werken er bij ABC Atlas?

Bij ABC Atlas werken ervaren psychologen, orthopedagogen, taal- en rekendeskundigen en onderwijskundigen.

Er is altijd minimaal één erkende gz-psycholoog betrokken bij de advisering.

Ik weet niet welke studie ik moet kiezen na het VO

Vaak is er al een aantal gesprekken geweest en soms ook bezoeken aan opleidingen of bedrijven, maar toch lukt het je nog niet om tot een keuze te komen. De gesprekken met de decaan en je ouders leveren geen nieuwe inzichten meer op en de open dagen komen dichterbij.

In dat geval kan ABC Atlas je ondersteunen bij het maken van een keuze. Klik hier voor meer informatie.

Vragen overstap van PO naar VO/kernprocedure

Waarom wordt een didactisch onderzoek afgenomen en welke leerlingen komen hiervoor in aanmerking?

In het kader van de Amsterdamse kernprocedure is het belangrijk dat leerlingen op de juiste plek het voortgezet onderwijs instromen. Op het juiste niveau en met de juiste zorg. Leerlingen hebben recht op extra ondersteuning in het voortgezet onderwijs als er sprake is van leerachterstanden. Deze moeten vastgesteld worden aan de hand van een didactisch onderzoek.

In de kernprocedure staat welke leerlingen mee moeten doen met een didactisch onderzoek:

  • Leerlingen die zullen doorstromen naar een Amsterdamse school voor praktijkonderwijs of vmbo beroepsgericht onderwijs (zowel basis als kader)
  • Leerlingen die zullen doorstromen naar vmbo gemengd of theoretisch niveau én zorg nodig hebben in de vorm van leerwegondersteuning (bijv. als er sprake is van faalangst, zwakke motivatie, concentratieproblemen, etc.)

Waaruit bestaat het didactisch onderzoek?

Het didactisch onderzoek bestaat uit toetsen op vier leergebieden:

  1. technisch lezen
  2. begrijpend lezen
  3. spelling
  4. rekenen

Deze toetsen zijn geselecteerd uit de lijst met toegestane instrumenten, samengesteld door het Ministerie van Onderwijs. Het didactisch onderzoek wordt door de leerkracht of interne begeleider op school afgenomen. ABC Atlas bekijkt de resultaten en stelt vast of er sprake is van een leerachterstand.

Waarom zijn er twee versies van het didactisch onderzoek?

Van het didactisch onderzoek zijn twee versies samengesteld:

  1. een Pro versie (= praktijkonderwijs)
  2. een Lwo versie (= leerwegondersteuning)

Leerlingen die vrijwel zeker doorstromen naar Pro maken de Pro versie, aangezien deze beter aansluit bij dat niveau. De Lwo versie is voor deze leerlingen te moeilijk en waarschijnlijk te frustrerend.

Leerlingen die waarschijnlijk door gaan stromen naar vmbo (met leerwegondersteuning) maken de Lwo versie. Als het nog onduidelijk is of het niveau het beste aansluit bij Pro of Lwo kan er het beste gekozen worden voor de Lwo versie.

Wat is een capaciteitenonderzoek?

Een capaciteitenonderzoek meet de intellectuele capaciteiten aan de hand van een intelligentietest.

De intelligentietest die gebruikt wordt is afhankelijk van de beschikbaarheid en of deze staat aangegeven op de lijst met toegestane instrumenten van het Ministerie van Onderwijs. De meest gebruikte intelligentietesten voor de indicatiestelling zijn de NIO (indicering LWOO) en de NDT (indicering PRO).

Uit die test komt een IQ. Aan de hand van de criteria die het Ministerie heeft aangegeven voor praktijkonderwijs en leerwegondersteuning kan worden bepaald welk vervolgonderwijs het beste aansluit bij deze leerling.

Wat is een DL en een DLE?

DL staat voor Didactische Leeftijd en geeft het aantal maanden aan dat een leerling onderwijs heeft gevolgd vanaf begin groep 3.

Een volledig schooljaar staat voor 10 onderwijsmaanden. Aan het eind van groep 3 heeft een leerling 10 maanden onderwijs gevolgd en is de DL dus 10. Bij een doublure telt de DL door en is die 10 maanden meer dan de DL van de klasgenoten. De DL kan maximaal 60 zijn.

DLE is de Didactische Leeftijds Equivalent. Ruwe testscores van didactische toetsen worden m.b.v. scoringstabellen (DLE-boek) omgezet in DLE's.

De DLE staat voor het aantal onderwijsmaanden dat een gemiddelde leerling met deze score gevolgd heeft.

Voorbeeld:
Een leerling uit begin groep 8 (DL = 51) haalt een testscore met een DLE van 35. Zijn prestatie komt dan overeen met een gemiddelde leerling uit halverwege groep 6. Deze leerling heeft dan een leerachterstand van 16 maanden (51 – 35 = 16).

Wie moet bij de RVC een beschikking aanvragen?

De VO-school moet de beschikking aanvragen maar zal wel aan de basisschool vragen zoveel mogelijk gegevens aan te leveren. Zodat er geen vertraging ontstaat en de leerling niet per ongeluk bij de verkeerde soort blijkt te zijn aangemeld.

Hoe kom ik aan een onderwijskundig rapport?

Een onderwijskundig rapport wordt aan alle scholen verstrekt via het Electronisch Loket Kernprocedure en Keuzegids (ELKK).

Mocht u vragen hebben over de technische procedures in het ELKK neem dan contact op met de helpdesk van het ELKK, 020-251 8008 of elkk-helpdesk@dmo.amsterdam.nl.

Hoe wordt de leerachterstand berekend?

Om de leerachterstand in procenten te bepalen, wordt de volgende berekening gemaakt:

U kunt leerachterstanden berekenen met de volgende formule: (1 – (DLE/DL)) x 100.
Hiervoor heeft u de Didactische Leeftijd (DL) en het Didactisch Leeftijdsequivalent (DLE) van een kind nodig:

  • Didactische Leeftijd (DL): Dit is het aantal maanden onderwijs dat uw kind heeft gehad vanaf groep 3.

Per schooljaar worden 10 maanden onderwijs gerekend. Een DL van een kind eind groep 3 is dus 10 maanden. Eind groep 8 heeft een kind een DL van 60 maanden.

  • Didactisch Leeftijdsequivalent (DLE): Dit is een indicatie van het niveau waarop uw kind functioneert.

Toetsresultaten worden omgezet in een DLE. Als het goed is, is het DLE ongeveer gelijk aan een DL.

Met een DL en een DLE van een kind kunt u bepalen of er achterstanden zijn, en hoe groot deze zijn.

Een voorbeeld

Een kind in eind groep 7 heeft een rekentoets gemaakt. Dit zijn de gegevens:

  • DL: 50
  • DLE: 24

Het DLE is lager dan de DL. U kunt hieraan al zien dat dit kind achterstand heeft.
Met de formule kan de leerachterstand in een percentage worden berekend:

(1 – 24/50) x 100 = 52%

Het kind heeft een leerachterstand van ongeveer 52%.

Zie ook: wat is DL en DLE

Kan een testscore ook buiten het DLE-bereik vallen?

Het kan voorkomen dat een leerling een score behaalt die buiten het DLE-bereik valt.

Voorbeeld:
Bij een DLE score van <26 kan de leerachterstand bijvoorbeeld >49% zijn. De test is dan te moeilijk geweest voor de leerling en de exacte leerachterstand kan niet worden vastgesteld. Er moet dan voor dat leergebied een toets op een lager niveau gemaakt worden, zodat de leerachterstand alsnog precies kan worden vastgesteld.

Welke leerlingen doen mee aan het capaciteitenonderzoek?

Op basis van de resultaten op het didactische onderzoek worden leerlingen geselecteerd voor het capaciteitenonderzoek.

Alleen leerlingen die op minimaal twee van de vier leergebieden een achterstand hebben van 25% of meer moeten meedoen aan het capaciteitenonderzoek. Dus leerlingen die maar op één leergebied een grote achterstand hebben, komen niet in aanmerking voor het capaciteitenonderzoek.

Bovendien mag de leerachterstand niet alleen aanwezig zijn op de combinatie technisch lezen en spelling.

Welke leerlingen doen mee aan het sociaal-emotioneel onderzoek?

Bij leerlingen met een IQ hoger dan 90 wordt een sociaal-emotioneel onderzoek afgenomen. De leerachterstand kan in dat geval niet verklaard worden door een beperkt intelligentieniveau en er wordt onderzocht of sociaal-emotionele problemen de oorzaak zijn van de leerachterstand.