Sterke taalontwikkeling: 3 tips voor het benutten van meertaligheid in een kleuterklas.

In het Amsterdamse onderwijs is een schat aan talen te vinden.
Hoe maak je gebruik van al die talen in de onderbouw en zet je het aanbod betekenisvol in?
Hoe ga je uit van de mogelijkheid van meertaligheid en vertaal je dit praktisch naar je kleuters?

Door: Monica de Wit

Al die talen

Vroeger versus nu: voorheen werd gedacht dat verschillende talen elkaar in het hoofd van een taalgebruiker in de weg zaten. Ruimte geven aan een tweede taal zou beter geen aandacht moeten krijgen in de klas: dat zou ten koste gaan van het Nederlands. In de kleutergroepen stappen steeds vaker jonge kinderen zonder noemenswaardige kennis van de Nederlandse taal de scholen binnen, ofwel het gaat hier om jonge nieuwkomers. Ze zijn opgegroeid met een andere taal, ze verstaan de leerkracht en de kinderen in de groep niet of nauwelijks en ze kunnen zich daarom moeizaam verstaanbaar maken. We weten nu dat de eerste (moeder) taal een stevig fundament vormt voor het leren van een tweede taal.

Tekstbegrip versus luisterbegrip 

We weten dat een lezer, om een tekst te begrijpen, meer dan 88% van de woorden uit het taalaanbod moet kennen (Goossens & Vermeer, 2009). Wat voor lezers geldt, gaat ook op voor luisteraars, ‘gezien de vluchtige aard van gesproken taal’ (Nation, 2006). Maar luisterende kinderen hebben toch genoeg steun aan de visuele context van prenten en de mimiek en gebaren van de leerkracht? Buiten de ‘geijkte paden’ (aan de hand van een methode) kunnen binnen de thema’s spelenderwijs teksten ingezet worden om tot een actieve, creatieve & vooral rijke taal-inoefening te komen. Actieve betrokkenheid stimuleren: met voorbeelden uit verhalen kan het jonge kind in staat gesteld worden om aan te sluiten bij de eigen voorkennis en zo kan het daarover nadenken. En vooral om dit samen te doen door het bekijken van illustraties, het maken van gebaren & bewegingen die daarbij horen en concrete materialen helpen daarbij, zodat de kinderen zich erin kunnen herkennen en ze zich op een speelse manier kunnen uiten. Hierdoor worden bestaande verbindingen in de hersenen benut en uitgebreid of versterkt. Als de kinderen al enigszins snappen waar het over gaat kunnen zij er actief mee aan de slag gaan. Dan pas is er sprake van gericht effectief oefenen en onderzoeken en vooral dat er op een actieve manier de taal aangeleerd wordt.

De rol van de ouders

Actieve betrokkenheid van de ouders: we weten dat het niet altijd als vanzelf gaat om ouders enthousiast & betrokken krijgen bij wat er op school gebeurt. Dan is het goed om eens te kijken wanneer dat wel lukt dat daarover in gesprek gegaan wordt met de ouders. Het gaat er niet alleen om dat de ouders van jonge nieuwkomers worden geïnformeerd bij wat er bij de thema’s op school gebeurt, maar ook dat ze het kunnen zien en zelf mogen ervaren, zodat begrepen wordt wat er op school bij de ontwikkeling van hun kind komt kijken. Het is voor de ouders ook fijn om te weten dat de thuistaal een stevig fundament vormt voor het leren van een tweede taal. De eerste stap wat een school kan doen is om de verschillende thuistalen die er zijn te erkennen en deze talige diversiteit die er is als een meerwaarde te zien. Hand in hand met de ouders kunnen er duidelijke adviezen komen over het taalgebruik op school en thuis, zodat meertaligheid als instrument voor de (taal) ontwikkeling met het welbevinden van het kind een functionele plek krijgt.

Een drietal tips:

1. TPR,

Total Physical respons, een zien-doen-aanpak (Garcia,1996; Asher, 2003). De jonge taalleerder krijgt korte opdrachtjes met attributen, met bewegingen én gebaren via visuele ondersteuning aangeboden, vervolgens kan het kind ze uitvoeren en leert het te begrijpen. De eigen taal (of een andere taal) kan daarbij, waar nodig, ondersteunend werken.

2. Stapsgewijs aanleren.

Het werken aan de taalontwikkeling wordt in de steigers gezet, waarna gaandeweg de steigers worden afgebroken (scaffolding didactiek). Dit kan op een interactieve manier gebeuren (ongestuurd): “Kijk, dit is jouw tekening, Naima, jij hebt deze tekening gemaakt van jouw huis”, als een introductie van en verwijzing naar een nieuw alledaags begrip (thema wonen). Maar het kan ook gepland zijn (gestuurd): je laat een praatplaat zien en vraagt het kind eerst aan te wijzen waar het huis/de flat is om vervolgens met beschrijvingen/begrippen te gaan werken. De eigen taal (of een andere taal) kan daarbij, waar nodig, ondersteunend werken. De stapsgewijze werkwijze stimuleert het werkgeheugen, een van de executieve functies. Het jonge kind kan aanwijzingen van een of twee stappen makkelijker onthouden en opvolgen.

3. Actief contact met ouders.

Ouders kunnen je nuttige (persoonlijke) informatie geven over hun kind. Het vertrouwen winnen kun je al bereiken door het directe contact met hen aan te gaan, belangstelling te tonen en hen te laten zien én te laten ervaren wat er in de klas gebeurt, dat kan bij de spelinloop, maar er kan meer uitgehaald worden door bijvoorbeeld samen met de ouders een van de (taal)oefeningen te doen die je de kinderen hebt aangeleerd.

If a child can’t learn the way we teach, maybe we should teach the way they learn

(Michael J. Fox)

 

Wij bieden workshops, studiemiddagen, trajecten en coaching on the job om het bestaande aanbod betekenisvol en rijk te maken en tot een sterkere taalontwikkeling te komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *